Tie Roefs
‘Schuld en boete’
Een ’schuldvraag’ houdt altijd een immens risico in. Wanneer ze er maar toe dient frustratie en woede te bekoelen, riskeert ze meer kwaad dan goed te doen. Een ’schuldvraag’ is gevaarlijk wanneer ze het populistisch gehalte niet overstijgt, en heeft in dat geval als bijkomend nadeel dat ze misschien de gemoederen wel sust, maar de eigenlijke oorzaken van problemen onaangeroerd laat.
Wie is verantwoordelijk voor de recente treinramp in Buizingen? Wie treft schuld? Zullen we met zijn allen maar naar de machinist blijven wijzen die vermoedelijk toch wel door het rood gereden zal zijn? Of moeten we de ’schuldvraag’ veeleer doorsturen naar de politiek?
Groen! pleit alvast voor een parlementaire onderzoekscommissie inzake. Het opzet moet nu immers verdergaan dan de menselijke nood om iemand een prijs te doen betalen en een boetedoener te duiden. De vraag naar hoe de NMBS moet worden georganiseerd opdat mensen niet tot 2016 zullen moeten wachten alvorens hun kinderen met een gerust hart terug de trein te kunnen laten nemen, moet gesteld.
Waarom is het negen jaar na de treinramp in Pécrot nog eens kunnen gebeuren? Hebben de politici die de leiding van de NMBS waarnemen hun werk niet gedaan? Of klopt het veeleer dat ze toch niet zo verantwoordelijk zijn want dat ze zichzelf in fundamentele besluitnames buiten spel hebben gezet? Wat is de rol van de dames en de heren politici die de Raden van Bestuur binnen de NMBS-holding bevolken? En welk is de relatie tussen de opeenvolging van verschillende voor de NMBS verantwoordelijke ministers en het gegeven dat de beveiligingssystemen niet met zulk een tempo werden ingevoerd dat een maximale veiligheid vandaag kan worden gegarandeerd?
Ik wil in ieder geval kunnen hopen dat alles in het werk wordt gesteld opdat het nu nooit meer zal gebeuren. Want het zal toch maar je partner of ouder zijn. Of -alle hemelen beware- je eigen kind dat nooit meer terug naar huis komt.

‘En wat deed mijn eigen volk?’
‘Het menselijke leven kan niet worden samengevat.Dat is maar al te waar. Wat niet kan worden samengevat, moet dus worden naverteld…’ . Met deze woorden begint Jos Vander Velpen zijn kroniek over Breendonk. Met een sobere pen geeft Vander Velpen een eerlijke stem aan de slachtoffers, maar laat hij ook op heel indringende wijze zien tot welk een sadisme mensen in staat zijn. Mensen zoals de Vlaamse SS’er Fernand Wyss die in september 1944 in Breendonk in dienst treedt, en die voor geen vernedering of ontmenselijking terugschrikt.
“Hetgeen mij het meeste pijn deed als persoon van Vlaamse oorsprong, was dat de twee SS’ers die belast waren met ons te slagen en ons te vernederen Vlamingen waren. Het is dat wat mij het meeste pijn deed. Als het maar Duitsers geweest waren…maar goed zij waren daar voor dat: zij waren wreed, sadistisch…maar mensen van ons eigen land, van onze eigen nationaliteit, Vlaming of eender wat,… Dat was het moeilijkste om te aanvaarden. Gaston Gillis, gevangene nr.859″
Zo beramen enkele verzetslui uit Linden in 1944 een ontsnapping. Helaas lekken hun plannen uit. Het gevolg is dat ‘Warreke Poel’ tot bloedens toe wordt afgerost en daarna in de voetboeien wordt geslagen. Zijn vrienden zien de dikke ketens dampen van de hitte, en horen de Lindense paardenboer gillen van de pijn. Ze ondergaan allemaal hetzelfde lot. Dag en nacht lopen ze met hun kettingen rond waardoor hun benen zwellen. Tot grote genoegdoening van Wyss die de mannen bovendien verplicht om uren te gaan rondhuppelen op een met steenbrokken bezaaid terrein.
Op 6 mei 1944 worden de Lindenaars op de trein gezet naar het concentratiekamp Buchenwald. Onder hen ook de vader van mijn dierbare 84-jarige buurman Maurice. Toen ik gisteren met mijn kinderen van acht en elf het Fort van Breendonk bezocht, vonden we zijn naam terug in het register: “Armand Van Uytven, geboren te Houwaert op 26/01/1896, wonend te Linden, opgesloten te Breendonk als gevangene nr. 2533 tot 6/05/1944″. Armand Van Uytven overleed niet in Buchenwald, maar in het concentratiekamp Dora op 19/10/1944.
‘En wat deed mijn eigen volk?’ van Jos Vander Velpen verscheen al in 2003 en is uitgegeven bij EPO. Het boek vormt een mooie aanvulling op een bezoek aan het fort, en slaagt in het opzet om de herinnering aan het verleden levend te houden. Een verleden dat altijd bepalend is voor wie en wat mensen zijn.Moedig en groots, maar ook laf en allerkleinst.
Zoals ook nog eens zal blijken wanneer in hetzelfde Fort van Breendonk reeds in 1944 de ergste soort repressie plaatsvindt. Zo meedogenloos en gruwelijk dat journalist Paul Lévy, zelf gevangen gezet in Breendonk in 1940, het zogenaamde ‘Breendonk II’ een ‘ontwijding’ noemt van de plaats waar hij en zoveel anderen geleden hebben.

Calomniez, calomniez…
Voor wie er nog aan zou twijfelen, het ís wetenschappelijk onderbouwd. Het verspreiden van roddels is goed voor het persoonlijk gewin. Mensen baseren een groot deel van hun informatie over anderen niet op eigen ervaring, maar op achterklap. De meest negatieve informatie doet het daarbij nog best. Volgens Aafje Brandt, onderzoekster aan de Raboud Universiteit in Nijmegen, verkneukelen mensen zich in kwaadsprekerij. Wie dus carrière wil maken, of er om andere redenen als ‘beste’ uit wil komen, laat zich beter niet leiden door een meest elementair respect voor de integriteit van een ander. Integendeel. ‘Calomniez, calomniez…’ is dan de boodschap. ‘Il en restera toujours quelque chose’. Zoveel is zo goed als zeker.
Zie: http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=NA2M6VGD .

Gedichtendag
Een versje
Zij keek naar mij.
Waar heb je dát uit, vroeg ik.
Uit zee, zei zij.
En streelde mij.
Zij streelde mij.
Hoe wist je dit, vroeg ik.
Ineens, zei zij.
En kuste mij.
Zij kuste mij.
Hoe kom je dáár aan, vroeg ik.
Vanzelf, zei zij.
En lachte om mij.
Ze lachte om mij.
Mijn God, zei ik.
Niet waar, zei zij.
En keek naar mij.
Toon Tellegen

‘Ode aan de Vreugde’
Onlangs dienden de kandidaat-eurocommissarissen ‘examens’ af te leggen voor het Europees Parlement. Zo zelfs dat de Bulgaarse Rumiana Jeleva -kandidate voor het beheer van de portefeuille ‘internationale samenwerking, humanitaire hulp en crisisbestrijding’ – zich na een slechte beurt moest terugtrekken. Zo ook dat de stemming over de samenstelling van de nieuwe Europese Commissie nu is uitgesteld van 26 januari tot 9 februari 2010.
De macht van het Europees Parlement is in de loop van de laatste twintig jaar toegenomen. Gelukkig maar. Want hoewel we er ons niet altijd bewust van zijn, wordt een groot gedeelte van onze nationale en regionale regelgeving door Europa bepaald. Niet alleen op economisch vlak, maar in toenemende mate ook op andere beleidsterreinen als bijvoorbeeld cultuur en onderwijs.
Met het verdrag van Lissabon dat op 1 december 2009 in werking trad, heeft Europa ook nog een stap verder gezet in haar streven om in de wereld ‘met één stem’ te spreken. De aanstelling van onze ‘eigen’ Herman Van Rompuy als eerste Europees president en de Britse Catherine Margaret Ashton als Hoge Vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, passen helemaal in deze intentie.
Toch heeft Europa haar ‘tanden’ niet echt kunnen laten zien op de recente Top in Kopenhagen. De politieke integratie van Europa gaat voor sommigen dan ook lang niet ver genoeg. Zo schrijft Mia Doornaert in een column in de Standaard van 18 januari dat de ” ‘Onverenigde Staten van Europa’ bij gebrek aan een echt eensgezind buitenlands beleid er nog niet vlug in zullen slagen om spijkers met koppen te slaan op ontmoetingen met wereldleiders.”
“Europa heeft zich op de rug van de Verenigde Staten genesteld”, schrijft Doornaert, “en laat zich net als de gelijknamig mythologische prinses door de in de stier vermomde oppergod Zeus vervoeren. De wereld kijkt dan ook naar de Verenigde Staten voor de oplossing van wereldproblemen, en niet naar Europa.”
Een nota van de Europese Raad voor Buitenlandse Betrekkingen van november 2009, getiteld “Towards a post-American Europe”, windt er ook geen doekjes om. Zo wordt scherp gesteld dat een aantal Europese naties, waaronder Groot-Brittannië en Nederland, nog steeds denken dat unilaterale relaties met de Verenigde Staten hen meer zullen opleveren dan een gemeenschappelijke Europese benadering. Elk apart doen deze Europese naties er dan ook alles aan om in de gratie van de Amerikanen te vallen. Met echter als enig resultaat: een Europa dat wel 30.000 manschappen naar Afghanistan stuurt, maar over de strategische inzet ervan eigenlijk niets te zeggen heeft.
In een wereld die niet langer alleen door de Verenigde Staten wordt gedomineerd, is Barack Obama nochtans op zoek naar ’sterke’ partners. Maar de politieke wil om echt in te zetten op een ‘Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid’ is, nog los van de vraag naar Europees leger, helemaal niet in alle Europese lidstaten even groot. Nog lang niet alle landen van de Europese Unie zijn bereid om allemaal samen het Europese volkslied te zingen: de ‘Ode aan de Vreugde’ van de Duitse dichter Schiller op muziek uit de Negende Symfonie van Beethoven.
Op woensdag 3 februari 2010 om 20.00u wil Groen! Leuven in het cc Oratoriënhof, Mechelsestraat 111 te Leuven, alvast stilstaan bij vele boeiende vragen rond Europa. Zeker omdat België vanaf juli 2010 voor zes maanden het voorzitterschap van de Europese Unie waar zal nemen. Aan tafel van dit eerste politiek café van de groep van Leuven zitten Bart Staes (Europarlementslid voor Groen!), Rob Heirbaut (VRT-journalist en co-auteur van ‘Hoe Europa ons leven beïnvloedt’) en als moderator Jan Mertens (Groen! Leuven). Fatou Jans en Esther Artois, jong Leuvens muzikaal talent, zorgen voor de muzikale intermezzo’s.

Girls don’t cry
Die ochtend stond Sophie voor mijn deur. Niet huppelend over haar eigen verhaal. En ook al niet flirtend met de kern van de zaak. Helemaal niet zoals gewoonlijk. Neen. Ze stond daar sprakeloos. Enkel haar armen maakten draaiende bewegingen. Om het zo dan toch maar gezegd te krijgen.
Inge was dood. Ze werd vermoord. Op gruwelijke wijze.
Sophie was bij de eersten om het te vernemen. Diezelfde morgen al was ze gecontacteerd geworden door de ‘BOB’. Inge had haar komst naar Leuven immers nauwgezet voorbereid. In een klein boekje had ze de adressen van vriendinnen van vriendinnen in wat voor haar dan toch een nieuwe stad was, opgetekend. Of zo dacht Sophie toch dat de speurders bij haar waren uitgekomen.
Later zat ik zelf ook voor een grote geblokte man. Net als in de film. Alleen had ik niets zinvols bij te dragen. Miljoenen vragen, maar geen enkel antwoord. Hoe heel zielsgraag ik dat uiteraard wel had gewild.
Mijn zus ‘did not cry’. Of toch alleen maar heel soms. Wel kwam ze nu vaker van Antwerpen naar Leuven, naar mijn huis. Wie kon ze nog vertrouwen? Ze zou ‘hem’, of misschien wel ‘haar’, kunnen kennen. De kans was zelfs groot dat ze bekend was met de dader. Want ze leefde jaren samen met Inge. Eerst op een tweekamerflat, daarna op een appartement.
De tijd verstreek en de pijn werd weggezet. Goed afgesloten op een rek geplaatst. Slechts af en toe ontsnapte er een herinnering. Boven de afwas bijvoorbeeld en soms ook een beetje -als zou het die noodlottige avond ook werkelijk het geval geweest zijn en een verschil hebben kunnen maken- onmachtig verwijtend: ” ze deed toch ook nooit de deur op slot!”
Het had anders moeten lopen. Inge en mijn zus. Ze hadden zelfs geen te hoog gegrepen dromen. Alleen maar afstuderen als handelsingenieurs. En dan daarna een goede job vinden, trouwen met de mannen van hun dromen, kinderen krijgen en voor altijd een paar keer per jaar samen op vakantie gaan.
Eigenlijk wist ik al op voorhand hoe mijn zus zou reageren toen ik haar vorige maandag belde. Natuurlijk was de dader van de moord op haar vriendin al gevonden. Ik herinnerde me zeker toch wel dat ze een “zot” hadden opgepakt?
Tot ze me woensdag dan zelf weer contacteerde en aarzelde dat het “misschien toch niet die zot was geweest”. Misschien was het wel een andere “zot” die het leven van haar vriendin had durven afbreken. Een ander mens die zonder de geringste zin voor de gevolgen van eigen doen en laten een knip had durven zetten in het leven van iemand anders, een leven dat nog boordevol plannen was.
Misschien. Maar als nieuws zeker verontrustend genoeg om maar weer eens heel ernstig te gaan twijfelen of je jezelf wel terecht steeds maar weer de vraag stelt: de vraag of er eigenlijk wel zoiets bestaat als absoluut kwaad?

Koffiekoeken en Stella Artois
Vanavond hebben Fatiha Dahmani, Heidi Vanheusden en ik zelf koffiekoeken gebracht naar de actievoerende werknemers van AB-!nBev Leuven. Volgens de militanten “heeft AB-!nBev gisteren op een bijzondere ondernemingsraad aangekondigd dat er 299 jobs moeten verdwijnen. Zij aanvaarden dit niet. Maandag komen nationaal alle vakbonden samen om een actieplan uit te werken. Dinsdag gaan verschillende personeelsvergaderingen door.”

Een kerstboompje opzetten
Het ziet er nog altijd niet naar uit dat Kerstmis in Vlaanderen dit jaar gepaard zal gaan met witte sneeuw. Maar het is natuurlijk nooit verboden om te hopen. Integendeel. Het is misschien wel nodig om weer eens heel vurig te wensen.
Net zoals de soldaten op Kerstavond in 1914 aan het Westfront. Het vroor en de modder was hard. De levensomstandigheden in de loopgraven waren erbarmelijk. Uit het niemandsland steeg de stank van rottend mensenvlees. Overal loerde de dood.
Tot dan de geweren zwegen. ‘Stille nacht, Heilige nacht’ weerklonk en een verlicht kerstboompje kwam tevoorschijn uit een Duits loopgraaf. Hetgeen door de vijand beantwoord werd met ‘The First Noel’ en dat dan weer met ‘O Tannenbaum’. Er werd geroepen: ‘hello Tommy, hallo Fritz’! Om elkaar tenslotte tegemoet te lopen, en geschenken te geven: schnaps en Duitse worsten, sigaretten en Londense kranten.
Op Kerstavond 1914 verstomden de geweren en kanonnen. Menselijkheid overwon door de kracht van het verlangen. Het was vrede op aarde. Een vrede door verwachten. Dat het altijd en overal anders en vooral ook heel veel beter kan.
Vandaag in Kopenhagen uiteraard. Maar ook al in Vlaanderen.Bijvoorbeeld door een klein of groter boompje bij te zetten op een door de vzw Planteenbos.be aangekochte grond in het Vlaamse Loonbeek. Voor alle informatie, surf naar: www.planteenbos.be.

Hoogmoed
Ik weet dat ik er blij mee zou moeten zijn. Met het recente pleidooi van Patricia Ceyssens aan het adres van Louis Tobback om het Europese ‘burgemeestersconvenant’ te ondertekenen. En eigenlijk ben ik dat ook. Tenminste in zoverre er nu eindelijk steun komt voor datgene waar Groen!fractieleidster in de Leuvense gemeenteraad Fatiha Dahmani al sinds de ondertekening van het convenant in februari 2009 voor ijvert.
Want dat is wél het verschil. Sommige politici laten zich heel duidelijk leiden door de opportuniteit van het moment. Andere politici kiezen voor de weg van het lange-termijn-denken, maar zullen daardoor ook altijd veel kwetsbaarder zijn. Want zelfs als ze het schoppen tot ‘vertegenwoordiger des volks’, dan nog zullen zij moeten verdragen dat er niet naar hen geluisterd wordt, dat er bonte karikaturen van hen worden gemaakt, om daarna dan toch maar weer te zien hoe de korte-termijn-spelers zichzelf met de door hen geformuleerde voorstellen in de krant schrijven.
Neen. Het is niet altijd gemakkelijk om aan politiek te doen. Of toch niet aan een soort politiek die ophoudt bij de dag van morgen. De dag dat het weer eens verkiezingen zijn, en het er nu al naar uitziet dat de inzet dan zal zijn wie nu wel het groenste doekje voor het bloeden heeft? In plaats van nu al dieper te graven, het debat over duurzaamheid systematisch in termen van rechtvaardigheid te voeren en ervoor te zorgen dat we overmorgen toch nog door iemand zullen kunnen herinnerd worden, desnoods als dwazen.
Het stemt natuurlijk hoopvol dat de EU eergisteren in Kopenhagen besliste om de ontwikkelingslanden jaarlijks te steunen met een bedrag van 2,4 miljard Euro in hun strijd tegen de klimaatveranderingen. Maar ook zoveel kan ons nooit ontslaan van de wetenschap dat we onze eigen (ecologische) voetafdruk met alle macht zullen moeten trachten te verkleinen, want dat we toch echt wel een beetje heel veel naast onze schoenen lopen. En dat is niet goed, zoals men in Vlaanderen zegt. Hoogmoed komt immers altijd voor de val.
Hermes Sanctorum volgt voor Groen! en het Vlaams Parlement het reilen en zeilen in Kopenhagen. Zijn verhaal is te volgen via www.hermessanctorum.be en op http://www.youtube.com/groenvlaamsbrabant.

‘Wie zijn we eigenlijk?’
Ik weet dat Bart De Wever zich graag identificeert als een adept van de ‘rechterzijde’. En dus ben ik wel genoodzaakt om me, daartegenover, te ‘linkerzijde’ te positioneren. Nochtans hebben we misschien wel iets gemeen. De vraag naar ‘identiteit’, en haar rol in de ontwikkeling van mensengemeenschappen, heeft me ook altijd bezig gehouden.
Anders dan Bart De Wever wil doen geloven, behoor ik immers niet tot de mensen die “ ’identiteit’ afdoen als een product van een contingente verbeelding die de mensheid in de 21ste eeuw best achter zich kan laten…”. In 1996 werkte ik als verantwoordelijke voor ‘cultuur en ontwikkeling’ bij de toen nog ‘kleine’ NGO Vredeseilanden. De actualiteitswaarde van de visie die we toen formuleerden, maar die ik even gemakkelijk weer terugvond in de ‘oude doos’, is treffend.
“Ondanks de inzichten van de laatste decennia, blijft in denken en handelen ontwikkeling nog vaak gelijkgesteld aan de graad van expansie van productie, productiviteit en inkomen per hoofd van de bevolking. Maar ‘ontwikkeling’ is zeker niet te herleiden tot een proces van economische groei alleen.
Verandering en ontwikkeling hebben in grote mate te maken met zelfbewustzijn en zelfvertrouwen. Ontwikkeling die de ontplooiing van mensen voor ogen heeft, kan dan ook niet uitsluitend oog hebben voor materiële noden. Mensgerichte ontwikkeling vereist niet alleen aandacht voor wat mensen (niet) hebben, maar vooral ook voor wie ze zijn.
Menselijke ontwikkeling is niet alleen gericht op de mens, zij gaat ook noodzakelijkerwijze uit van de mens. Mensen functioneren echter niet onafhankelijk van elkaar. Ze werken samen of concurreren en gaan allerlei andere relaties aan. Cultuur is hetgeen mensen met elkaar verbindt. Het is de ‘Sitz im Leben’ van mensen en bestaat uit betekenissen, normen en waarden die mensen actief ontvangen en ontwerpen.
Cultuur is bijgevolg een veranderlijk gegeven. Het is de context waarbinnen mensen, in interactie, hun identiteit construeren en verwijst naar wie en wat mensen zijn, naar hun ‘way of life’, naar hoe zij zich als groep sociaal, economisch en politiek organiseren.
Cultuur is bron van creativiteit. Creativiteit verwijst naar de verbeeldingskracht en de initiatieven die mensen nemen om zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden. De duidelijkst herkenbare vorm van creativiteit is kunst, maar creativiteit is ook van vitaal belang voor de industrie, handel, onderwijs en de sociale en maatschappelijke ontwikkeling.
Creativiteit is niet het monopolie van bijzondere mensen in bijzondere situaties, maar behoort iedereen toe. Het is het erfdeel van zowel armen als rijken, meerderheid en minderheid, geletterden en ongeletterden, mannen en vrouwen, jongeren en ouderen. Voor ontwikkeling is het van belang dat elke mens door expressie vorm kan geven aan zijn cultuur, dat mensen kunnen vertellen en gestalte kunnen geven aan wie zij zijn met hun ervaringen, hoop en vrees, dat zij creatief ‘productief’ kunnen zijn.
Van even groot belang als de mogelijkheid zelf productief te zijn, is de mogelijkheid om artistieke en culturele producties te ‘consumeren’. Muziek, theater, literatuur, film inspireren immers tot nadenken en kunnen een centrale rol spelen in het complex van zingeving en invulling van mens-en wereldbeeld. Zo fungeren ze als hefbomen voor individuele en collectieve verandering, maar bieden ze ook ontspanning en ontsnapping uit de dagelijkse sleur of het dwingende keurslijf van sommige tradities, van oorlog of repressie.
Na de tweede wereldoorlog kwam een proces van mondialisering op gang waarbij de wereld slonk tot het formaat van een dorp. Vanaf het einde van de jaren tachtig wordt zelfs gesproken van ‘global village’ en globalisering. Een tendens waarbij een ‘way of life’ gekenmerkt door marktdenken en consumptief gedrag, wereldwijd wordt verspreid.
Parallel aan dit proces tekent zich echter ook een tendens van lokalisering af. Door de globalisering hebben mensen vaak een minder goed zicht op de processen van economische, sociale en politiek aard waaraan zij onderworpen zijn. In het zoeken naar een antwoord ‘wie zijn we eigenlijk’, doen groepen van mensen meer en meer beroep op een culturele eigenheid, die hen onderscheidt van andere groepen. Met de groeiende globalisering, en vermoedelijk als reactie erop, neemt het bewustzijn van culturele eigenheid en meteen ook de zichtbaarheid van de culturele diversiteit in de wereld toe.
Culturele heterogeniteit houdt veel mogelijkheden voor ontwikkeling in. Als maximale mobiliteit van en contact tussen mensen kan gegarandeerd worden, is verscheidenheid een positief gegeven. Door dialoog zijn mensen in staat kennis te verwerven over andere culturen, het verschil te overbruggen en puttend uit de culturele rijkdom van de andere, tot verandering, vernieuwing en ontwikkeling te komen.
Als dialoog en daarmee de mogelijkheid om de ander in zijn andersheid te kennen en te (h)erkennen ontbreekt, houdt culturele verscheidenheid grote gevaren in. Indien niet alle culturen dezelfde toegang hebben tot dialoog, is in een land of in de wereld heterogeniteit bron van conflict. Wanneer het een aantal culturen aan middelen ontbreekt om uit te drukken wie ze zijn, is cultuurimperialisme niet veraf.
Zij die geen toegang hebben, zijn een gemakkelijke prooi voor hen die wel beschikken. Aan machtstrijd tussen culturen, tussen die van autochtonen en allochtonen, tussen die van stad en platteland, tussen die van mannen en vrouwen, tussen die van jongeren en ouderen, … komt geen einde als niet geïnvesteerd wordt in voorwaarden voor culturele expressie en interculturele dialoog. Integendeel, dan leiden uitsluiting en hegemonisering tot gewelddadige en mensonwaardige confrontaties.”

‘Wie gaat er dan de wereld redden?’
Als mama is het voor mij heel wensbaar. Geen overbodige drukte in de ochtendspits van ‘op tijd naar school en naar het werk’, en ook geen strijd na een lange werkdag. Rust altijd verzekerd met die ene toegeving: ‘allez, vooruit, pak dan toch maar een koek’.
Maar nog als mama weet je dat het eigenlijk zo niet hoort. Je zou immers niet willen dat je kinderen uitgroeien tot mensen die altijd maar alles pakken wat hun hart begeert, en daar desnoods voor over lijken gaan. Je zou het niet willen. Of beter: ik zou het niet willen. Omdat ik het belangrijk vind. Hoewel ik bij momenten ook wel eens vrees dat ik er mijn kinderen misschien toch geen dienst mee bewijs. Want de wereld waarin we leven, hoort de graaiers heel vaak eerst.
Aan pessimisme wil ik me echter nog niet overgeven.Ik wil, daarentegen, nog geloven dat de menselijke geest creatief en dynamisch is, en tot meer in staat dan een boel smerig gewin op de kop van het welzijn van een ander. Meer: ik wil er nog steeds vanuit gaan dat de narcistische waan van het eigen ‘o-zo-belangrijk-zijn’ verbleekt bij het diepmenselijke verlangen naar vredige rechtvaardigheid en geluk.
Want inderdaad, zoals ook Rik Torfs zich in zijn recentste boek afvraagt, ‘wie of wat gaat anders de wereld redden?’ Zeker nu ook de Top in Kopenhagen alweer op voorhand de verwachtingen niet inlost, want de groten der aarde de verantwoordelijkheid van bindende engagementen niet lijken aan te durven.

‘Imagine me and you’
Met dit niet onbekende Amerikaanse komische drama, een film van Ol Parker uit 2005, werd gisterenavond in het Provinciehuis van Vlaams-Brabant de negende editie van het holebifilmfestival Vlaams-Brabant ingezet.
Het festival loopt van 10 november tot en met 27 november 2009 in Leuven, Aarschot, Halle en Landen. Op het programma staan vooral Europese prenten, maar ook producties uit Zuid-Afrika en China ontbreken niet. Meer informatie over het festival is te vinden op: www.holebifilmfestival.be.





















